|
Hoofdstuk 1.In het anders zo stille bos maakten de geluiden en bewegingen van de bosdieren de jonge vrouw ervan bewust dat er iemand naderde. Het was lang geleden dat iemand haar had opgezocht. Ze probeerde uit te rekenen hoe lang. Het was geweest in de laatste hete dagen van de zomer - bijna een volle maan terug. Geen wonder dat ze soms bijna haar eigen naam vergat; er was nooit iemand die die gebruikte. Ze kon misschien beter tegen zichzelf gaan praten voor ze het spreken helemaal verleerde. "Jirelle, meisje, er komt bezoek," zei ze hardop en haalde toen haar schouders op om haar eigen dwaasheid. Ze was niemand, daar kon ze zich maar beter bij neerleggen. Ze legde de gedroogde kruiden die ze aan het fijnwrijven was op haar werkbank en liep naar de voorraadplanken. Achteraan, in een klein rood potje, stond haar extract van steeknagelkruid. Met grote zorg opende ze het potje en spatelde een beetje van de inhoud op de rug van haar hand. Toen bracht ze voorzichtig onder iedere nagel wat extract aan. Haar geheime wapen was klaar voor gebruik. Ze wreef de rug van haar hand schoon en borg het potje weer op. Nu kon ze zonder angst haar bezoek afwachten. Ze glimlachte een beetje triest en streek haar witblonde haar naar achteren. Ze mocht dan bepaald geen schoonheid zijn met haar magere, ietwat misvormde lichaam, toch waren er nog steeds mannen in het dorp die haar als een gemakkelijke prooi beschouwden. En wie kon hun dat kwalijk nemen? Hoewel men haar wist te vinden als ze een kwaal hadden waar de dorpsheler geen raad mee wist, was ze zich er zeer wel van bewust dat zij in het dorp geen vrienden had. De bosheks noemden ze haar. Weinig origineel, maar blijkbaar volkomen bevredigend voor de dorpelingen, die haar haarkleur spookachtig vonden, haar kruidenkennis te onorthodox, haar gedachten te ongrijpbaar, haar gewoonten te afwijkend. Niemand in het dorp zou het voor haar opnemen als iemand haar kwaad deed. Heel jong was ze geweest toen ze dat op harde wijze had geleerd. De groep halfdronken mannen, die haar hadden opgejaagd tot ze haar aan de rand van het bos te pakken hadden gekregen, waren nooit vermaand of gestraft voor het feit dat ze haar mishandeld en verkracht hadden en niemand had zich bekommerd om hun slachtoffer dat na al hun geweld wekenlang op het randje van de dood had verkeerd. Ongeduldig schudde de vrouw de herinneringen van zich af. Ze had zichzelf geheeld, had geleerd zichzelf te verdedigen; zo nodig kon ze dat weer doen. Haar steeknagelkruid zou ze slechts in noodgevallen gebruiken, want zelfs het kleinste beetje in een open wondje kon binnen enkele momenten een volledige verlamming veroorzaken. Een uur of twee later zou het slachtoffer dood zijn. Ze kende geen tegengif. Wie haar hulp kwam vragen, was veilig. Wie haar aanviel en zich niet liet ontmoedigen door haar woorden en weerstand, zou ze echter krabben, zien neervallen en sterven. Het was nog geen jaar geleden dat ze gedwongen was geweest haar geheime wapen uit te testen. Ze keek met een ongemakkelijk gevoel naar de kleine heuvel aan de rand van de open plek. Daar lag hij, Siemal, met zijn harde vuisten, zijn ruwe woorden en zijn sadistisch plezier in de pijn die hij anderen kon bezorgen. Haar had hij niet klein gekregen. Maar in het dorp woonde nu zijn weduwe met haar vier vaderloze kinderen, in aanwezigheid van anderen haar rouw dragend, maar in de beslotenheid van haar huis slechts bang dat Siemal ooit terug zou komen van waarheen hij ook verdwenen was. Want Jirelle had hem in het geheim begraven, ze had de weduwe nooit durven vertellen dat ze voor altijd veilig was voor de wreedheid van haar echtgenoot. Siemals spoorloze verdwijning had veel onrust veroorzaakt in het dorp. Nog steeds geloofden de meesten dat hij verdwaald was in het bos en daar was omgekomen, hetzij van honger en dorst, hetzij als prooi van een wild dier. Maar in de donkere uren, als de dorpelingen bij elkaar kwamen en verhalen vertelden, werd wel gefluisterd dat de Anderen hem hadden gehaald. Ze glimlachte om het bijgeloof van de dorpelingen, hun hardop ontkende, maar in stilte voortlevende geloof in die mythische wezens, net iets meer dan menselijk, die hun prooi uitkozen terwijl ze overvlogen en die dan meenamen naar hun geheime woonplaats. Zij had geen tijd voor verhalen en sprookjes, overleven was al moeilijk genoeg. De bewegingen van de bosjes achter Siemals heuvel verrieden dat haar bezoek al vlakbij was. Haar schort strakker vastknopend stapte ze haar huisje uit. Een rood hoofd kwam boven de heuvel uit: Firtam, de oudste bakkerszoon. Het ging dus heel slecht met de kleine Kritof. Ze liet de man zwijgend haar huisje binnen en beduidde hem dat hij plaats moest nemen op de enige kruk die ze rijk was. In afwachting van zijn verhaal begon ze alvast de kruiden te verzamelen die zijn zoontje nodig zou hebben, intussen haar best doend niet te kijken naar de harde broden die hij bijeengeknoopt over zijn schouder had meegedragen en die nu op de grond lagen. In de winter bood het bos te weinig voeding om haar voldaan te houden; de broden zouden meer dan welkom zijn. Al was het natuurlijk nog maar de vraag of ze ze zou krijgen. Achter haar schraapte Firtam een paar maal zijn keel. Tsja, wat moest je ook zeggen tegen de bosheks, vooral als je niet zeker wist of ze zich nog kon herinneren dat je één van haar aanvallers was geweest in die donkere nacht, lang geleden? Ze snoof ongeduldig. Ze kon dat evenmin vergeten als dat ze wraak op hem kon nemen door zijn zoontje te laten sterven. Haar vaardige handen wreven de kruiden fijn, mengden ze met balsem, schudden ze in heet water. Firtam schraapte opnieuw zijn keel en hakkelde: "Het is Kritof. Hij is weer erger geworden. De wisselbaden van de heler helpen niet... Hij blijft zo koud, zo stijf..." Zijn stem stierf weg. De bezorgdheid om zijn zoon weerhield hem er nu van haar te beledigen en af te snauwen. Jirelle snoof nogmaals om zijn klagende toon, voor ze hem toevoegde: "Je zoon heeft gegeten van de bikkelbessen bij de oude ruïne. Zoals ik al eerder zei toen ik jullie in het dorp tegenkwam, kan dat dodelijk zijn. Zijn lichaam moet het gif afbreken voor het te laat is." Ze legde de laatste hand aan de medicijnen, intussen snel nadenkend hoe ze zich kon verzekeren van de broden. "Hij heeft drie medicijnen nodig," vervolgde ze toen. Ze hield Firtam een flesje en een potje voor. "Eerst moeten jullie hem uitkleden en van top tot teen insmeren met deze zalf. Dan wikkelen jullie hem in doeken en leggen hem in bed, onder twee dekens. En dan geven jullie hem de inhoud van dit flesje te drinken." Hij pakte de spullen aan en wilde wat zeggen, maar ze sprak meteen verder: "Al gauw zal hij koorts krijgen. Dat is een goed teken. Wis zijn gezicht regelmatig af met een koude, natte doek, maar laat hem toegedekt tot hij gaat zweten. Dat zal tegen de ochtend het geval zijn. Pas dan mogen de dekens eraf. Zijn zweet zal stinken naar het gif dat zijn lichaam verlaat. Als de koortsaanval voorbij is, moeten jullie hem afsponzen, afdrogen en te slapen leggen. Hij zal al bijna beter zijn als hij weer wakker wordt." Firtam stopte de medicijnen in zijn jas en liep naar de broden. "Je had het over drie medicijnen," zei hij, alweer bijna op zijn oude toon. Hij slingerde de broden over zijn schouder en keek haar loerend aan. "Wat is de derde?" Tevreden pakte Jirelle de broden aan, die haar nu werden toegestoken. De deur klapte dicht achter Firtam, maar voor de zekerheid hield ze nog even de grijns tegen die om haar mond wilde kruipen. Dat derde medicijn zou filkbladthee zijn, eigenaardig groen, maar volkomen onschadelijk. Het had overigens ook geen enkele genezende werking. Maar het had haar verzekerd van haar betaling en er nog wat aan toegevoegd waar ze het weer een tijdje mee kon redden. Firtams angst dat zijn enige zoon zijn vader niet zou kunnen opvolgen garandeerde dat Kritof morgen bij haar zou komen met de rest van de betaling, om zijn 'medicijn' te halen. Ze kon het evengoed alvast maken. Terwijl ze wachtte tot het water kookte, reinigde ze grondig haar nagels. Toen maakte ze snel een flesje klaar met de gifgroene oplossing erin en Kritofs naam erop. Ze glimlachte even en ging toen zitten om te eten. Haar magere wintersoepje werd heel wat voedzamer nu ze er brood in kon soppen.
|












