Warning: main(GoogleAnalyticsAsynchronousTracking.php): failed to open stream: No such file or directory in /home/jirellenl/HTML/inc-nav.php on line 53

Warning: main(GoogleAnalyticsAsynchronousTracking.php): failed to open stream: No such file or directory in /home/jirellenl/HTML/inc-nav.php on line 53

Warning: main(): Failed opening 'GoogleAnalyticsAsynchronousTracking.php' for inclusion (include_path='.:/usr/local/lib/php') in /home/jirellenl/HTML/inc-nav.php on line 53

Jirelle

Hoofdstuk 2.

Het werd langzaam donker. Er zat vorst in de lucht, de hemel was helder en talloze sterren twinkelden haar tegemoet toen ze haar huisje uitliep. Jirelle leefde al zolang alleen in het bos dat het haar geen angst meer aanjoeg. Ze wandelde graag 's nachts tussen de bomen. Het smalle maansikkeltje gaf net genoeg licht om te kunnen zien waar ze liep. Heel in de verte kon ze de geluiden van het dorp horen, waar nu de grote vuren werden aangestoken waar de dorpelingen zich aan konden warmen onder het genot van bier en verhalen.

Even gaf ze zichzelf toe dat het haar liefste wens was erbij te horen, aan te mogen schuiven in de vrolijke kringen, deel te mogen zijn van de ontspanning na de harde werkdag. Haar eenzaamheid was groot genoeg om even te vergeten dat diezelfde mensen waar ze zo graag bij wilde horen haar altijd hadden afgewezen en vernederd, tot ze haar uiteindelijk uit het dorp verdreven hadden. Ze mocht er eens per week haar levensmiddelen halen, als ze tenminste kon betalen, maar verder werd haar aanwezigheid niet gedoogd. Nog even liet ze haar verlangen naar gezelschap en acceptatie, warmte en vrolijkheid toe.

Toen riep ze zichzelf tot de orde en liep het bos in, weg van het dorp. Geen sentimenteel gedroom.
Het maakte haar boos dat dat verlangen nog altijd zo pijnlijk stak. Met leedvermaak gunde ze zichzelf een fantasie over hoe het gezapige leventje van de dorpelingen verstoord zou worden als de mythe van de Anderen ineens werkelijkheid zou worden. Weg, al hun zelfvoldane zekerheid dat ze de waarheid in pacht hadden. Hun angst zou onvoorstelbaar zijn, want ze hadden geen antwoord op vreemde, ongrijpbare en onbeheersbare dingen. Daarom hadden ze haar ook niet kunnen accepteren, wist ze. Angst en haat waren dikke vrienden.

Ze herinnerde hoe ze zelf als kind gehuiverd had als er verhalen werden verteld over de Anderen. Madran, de stokoude grootmoeder van slager Kalos, beweerde altijd dat haar oudste broer was meegenomen door de Anderen. Zijzelf was toen nog niet geboren, maar haar ouders hadden verteld hoe de Anderen waren gekomen, "in de nacht, vliegend door de lucht als vogels, maar zonder vleugels. Als geesten waren ze, stil en verschrikkelijk." Haar krakende stem had nog een graadje toegevoegd aan het gegriezel van de kinderen. "Zo stil waren ze, dat nog bijna niemand ze opgemerkt had in de lucht toen ze al landden in het dorp. Elke Ander greep iemand vast. De mensen waren overrompeld, de meesten stonden als aan de grond genageld.

Toen kwamen er een paar van de jongens aangestrompeld die zich bij het vuur een stuk in hun kraag aan het drinken waren. Ze joelden en scholden en gingen op de vreemde wezens af, zwaaiend met hun messen. Maar nog voor ze ook maar één van de Anderen konden aanraken, grepen ze ineens naar hun hoofd. Ze begonnen te kreunen. Mijn moeder zwoer dat ze alledrie binnen een paar tellen door hun knieën zakten, met uitpuilende ogen en bloed dat uit hun neus en mond stroomde. De Anderen keken onbewogen toe hoe de jongens stierven en stegen toen op met hun buit. Toen men weer een beetje bij zijn verstand was gekomen, werd iedereen verzameld en geteld. Er bleken twaalf vrouwen en negen mannen te ontbreken, waaronder mijn oudste broer. Niemand heeft hen ooit teruggezien."

"Hoe zagen ze eruit, die Anderen?" had Jirelle gevraagd.
Madran had de kinderen één voor één aangekeken. "Niet zo heel anders dan jullie," had ze toen gefluisterd. "Niet zo heel anders. Alleen wat langer, wat fijner, met lange vingers en vreemde, heldere ogen. Mijn moeder zei, dat het leek of er licht uit hun ogen kwam. Ze dacht dat ze misschien wel daarmee die jongens hadden kunnen doden zonder ze aan te raken." De kinderen hadden gehuiverd van prettige angst, genietend van het spookachtige verhaal. Madran had ze toegeeflijk toegelachen, maar had wel gewaarschuwd: "Als je schaduwen in de lucht ziet, in de donkere nacht, verstop je dan. Blijf binnen tot het licht wordt en beweeg je niet. En ga nooit, nooit, 's nachts alleen naar buiten!" De kinderen waren lachend weggehold. Madran verbond altijd wel een vermaning aan haar verhalen.

Jirelle was echter nog wat dichter naar Madran toegeschoven. "Madran... " had ze dringend gevraagd, "Madran... is het maar een verhaal? Of is het ècht waar?"
Madran had ongeduldig haar schouders opgehaald. Ze had nauwelijks meer geduld met het kind dan de anderen, geërgerd dat ze altijd anders scheen te moeten reageren. "Echt waar, een verhaal... wat maakt het uit?" had ze gezegd. "Niemand geloofde ooit mijn moeder, toen ze oud was en het vertelde. Niemand heeft ooit mij geloofd. En zelf zal ik het geloven als ik vreemde vliegende wezens zie, niet eerder."

Jirelle keek verschrikt op toen er ineens een grote schaduw over haar heen gleed. Een beetje beschaamd zag ze een uil voorbijkomen. Dat had je er nu van als je je door oude verhalen liet meeslepen, je zou nog bang worden voor de gewoonste dingen. Ze richtte haar aandacht op haar omgeving en zag dat ze in de buurt van het bosmeertje was gekomen. Het was een goed moment om te kijken of de gele waterkelkjes al geplukt konden worden. Het vorig jaar was de vorst te vroeg ingetreden voor de oogst. Gelukkig waren er niet veel mensen getroffen door ernstige huiduitslag, maar het zou fijn zijn als ze haar voorraad kon aanvullen. Ze vond al snel de kleine bloemen met hun zachtgele klokjes en hun dikke stelen, vol van een stroopachtig sap. Voorzichtig plukte ze er genoeg en bond ze bij elkaar.

Toen ging ze naar haar plekje bij het water. Overdag kwam ze hier nooit, de dorpskinderen zwommen er graag en vaak werd er ook gesprokkeld. Maar 's nachts was het haar meertje, ze zat vaak uren aan de kant te dromen en te kijken naar de kleine nachtdieren die er kwamen drinken en jagen. Het was nu te koud om haar voeten in het water te hangen. Ze schoof op de gladde steen onder de grote wilg, haar rug tegen de stam die precies op de goede plek een steuntje bood voor haar hoofd. Tevreden ontspande ze zich. Al voelde ze zich altijd beperkt door het werken met kruiden, gefrustreerd door het gevoel dat ze te vaak te kort schoot, het voorzag haar tenminste af en toe van wat voedsel, diensten of geld. De handel met Firtam was gunstig verlopen. Ze begon te leren hoe ze haar beloning in handen moest krijgen. Dat werd wel tijd, overwoog ze. Ze had zich al veel te vaak laten overdonderen.

Vandaag was ze tevreden over zichzelf. Voor het eerst in weken had ze geen honger, het was een prettig vooruitzicht om morgen nog meer voedsel te krijgen en ze genoot van de prachtige nacht. In het water kon ze maan en sterren weerspiegeld zien. Met een glimlach zag ze nog meer schaduwen voorbijtrekken. Te groot voor uilen, dacht ze, het zouden wel eens dolsnavels kunnen zijn uit de bergen verderop. Meestal kwamen die niet zover naar het zuiden, maar deze heldere nacht was natuurlijk ideaal om te jagen.

Haar gedachten dwaalden van roofvogels naar Firtam en van hem naar zijn zoontje. Ongetwijfeld hadden ze haar aanwijzingen tot op de letter uitgevoerd en dat betekende dat de kleine Kritof intussen flink koorts zou hebben. Het zou nog wel even duren voor de koorts zou breken. De hitte zou het gif uit zijn lichaam werken en zijn bloedstroom weer goed op gang brengen en hij zou zich ondanks de koorts inmiddels al veel beter voelen. Bikkelbessen waren smerig spul, zeker voor kinderen. Een beetje teveel van die zoete vruchten en alles in je lichaam kwam langzaam tot stilstand. Tot tenslotte ook je hart ermee ophield. Er waren al eerder kinderen aan gestorven. Ze moest niet vergeten Kritof gerust te stellen dat hij er heus niets aan zou overhouden.

Als de dorpsheler maar zou willen begrijpen dat er koorts nodig was om deze vergiftiging te genezen, dan zouden er geen kinderen hoeven sterven, maar hij beweerde dat het lichaam dat zelf wel regelde. Sommige dingen veroorzaakten koorts, andere juist niet, zei hij, en bikkelbessen gaven al problemen genoeg zonder er ook nog koorts aan toe te voegen. Je zou van een heler toch verwachten dat hij wist dat je soms het lichaam een handje moest helpen. Gelukkig dat Firtam zijn tegenzin had overwonnen en haar hulp had gevraagd. Waarschijnlijk zou zijn vrouw hem wel gestuurd hebben, vermoedde Jirelle, vrouwen waren geneigd heel snel hun vooroordelen opzij te zetten als het om het leven van hun kinderen ging.

Een tijdje later stond ze op. Het was nu nacht, ze voelde hoe koud ze geworden was. De kinderen sliepen allang, maar de meeste volwassenen zouden nog bij het vuur zitten, een laatste beker drinkend voor ze gingen slapen. Misschien moest zij ook maar eens naar huis gaan. Ze liep stevig door om het weer warm te krijgen, haar aandacht bij het pad onder haar voeten. Ze nam zich voor thuis nog een kop hete kamillethee te maken om warm te worden en als slaapmutsje. Toen hoorde ze een langzaam aanzwellend geluid opstijgen vanuit het dorp. Haar eerste gedachte was, dat vandaag toch echt geen feestdag was, het was wel erg laat om nog zo rumoerig te zijn. Of zou de baby van Mindosja geboren zijn? Ze rekende even en schudde haar hoofd. Dat was nog veel te vroeg; als de baby nu geboren was, zou die niet kunnen overleven. Heel verdrietig, maar geen reden voor het hele dorp om te schreeuwen. En dat was wel wat ze hoorde: geschreeuw uit vele kelen, steeds meer en steeds harder. Het klonk ook niet als feest - er was duidelijk iets mis. Zou er brand zijn? Ze besloot naar het dorp te lopen om te kijken of ze misschien hulp kon bieden. Al die houten huizen...

Al gauw was ze op de grote open plek aangekomen. Ze keek in de richting van het dorp. Er was geen andere vuurgloed te zien dan die van de centrale vuren. Maar wat dan?
Opnieuw zag ze grote schaduwen over de grond trekken. Ze gleden over de open plek naar haar toe. De bloemen vielen uit haar hand. Ongelovig staarde ze naar de lucht. Geen dolsnavels. Helemaal geen vogels zelfs. Ze zag Arlin, de kaarsenmaker en een van haar weinige vrienden, vastgehouden door iets wat alleen maar een Ander kon zijn. En Marbette, en Stilvan... Het beeld sloeg haar lam. Geen wonder dat het dorp in rep en roer was, nu er zomaar mythen tot leven kwamen recht onder hun neus. Schuldig herinnerde ze zich haar gedachten van eerder die dag, over hoe de dorpelingen zouden reageren op precies deze gebeurtenis. "Het had een fantasie mogen blijven," mompelde ze. Ze begon te rennen, al wist ze niet wat ze eraan kon doen. Was ze nu maar een echte heks geweest.

Het volgende moment stond ze als aan de grond genageld. Vlak voor haar was een figuur verschenen, lang, slank maar krachtig gebouwd, gehuld in een ruime, lichtgekleurde cape en met vreemde, heldere ogen die haar recht aankeken. Heel even was haar enige gedachte hoe verschrikkelijk lang het geleden was dat iemand haar recht in de ogen had gekeken. Toen kwam hij los van de grond. Ze zag hem op zich afkomen. Voor ze zelfs maar aan vluchten kon denken, trok hij haar tegen zich aan met een krachtige arm die haar verzet futiel maakte.

De aarde schoot ineens onder haar door. Ze werd zich bewust van andere vliegende figuren vlak naast haar, de koude wind langs haar lichaam. Het was verre van aangenaam. 'Geen beste dag om zonder steeknagelkruid op pad te gaan,' dacht ze bitter. 'En nogal hoog om te vallen.' Maar als deze wezens dachten dat ze zich zonder slag of stoot liet ontvoeren, dan hadden ze het mis. Ze worstelde harder om vrij te komen. Even slipte de greep van de Ander, toen had hij haar weer vast. In haar lichaam kwam een vreemd-zwaar gevoel opzetten, een gevoel van uiterste vermoeidheid, waardoor het onmogelijk werd snel of krachtig te bewegen.

Van het ene moment op het andere voelde ze zich intens zwak en moe.
"Niet doen, sufferd, moet je vallen?" hoorde ze het wezen zeggen. Zijn stem was onverwacht diep. Eigenaardig, zo'n vreemd wezen dat met het grootste gemak dezelfde taal sprak als zij. Een deel van haar vroeg zich af waarom ze niet volkomen in paniek was. In plaats van alles rustig te bekijken en te beoordelen zou ze toch eigenlijk moeten krijsen of flauwvallen, maar op de een of andere manier was het of alles met iemand anders gebeurde. Ze zag de dorpelingen al even passief als zijzelf in de greep van de Anderen hangen. Passiever zelfs, ze was de enige die om zich heen keek. Gelaten gaf ze haar pogingen tot loskomen op. Het was te hopen dat ze niet ver hoefden te vliegen, want dan zou ze bevroren aankomen.

Die gedachte had zich nog niet in haar hoofd gevormd, of ze voelde hoe het wezen zijn cape om haar heensloeg, die opvallend winddicht was. Bovendien deelde ze zo in zijn lichaamswarmte. Ze wist niet goed wat ze daarvan moest denken. Blijkbaar was het niet de bedoeling dat ze dood zou vriezen, zoveel was duidelijk. Maar wat hij dan wel met haar wilde was haar een raadsel. En het mocht een stuk warmer zijn, zo samen in zijn cape, maar het was ook beangstigend en onaangenaam intiem zijn lichaam zo tegen het hare aan te voelen. Het riep herinneringen op , ze voelde hoe die afgrond van paniek en walging zich opende en haar op dreigde te slokken. Vastberaden zette ze echter haar tanden op elkaar; hij hoefde haar angst niet te merken. Ze besefte cynisch dat het in ieder geval gedaan was met haar onverschilligheid.

Het vliegen duurde verschrikkelijk lang. Ze waren al ver voorbij het verste punt dat zij zelf ooit had bereikt, het land onder haar was volkomen onbekend. De sterren waren al verbleekt. Ze keek vooruit en zag een bergketen aan de horizon, paarsachtig grijs in het valse ochtendlicht. De toppen waren wit. Ze had wel gehoord van bergen die zo hoog waren dat er altijd sneeuw op lag, maar niemand die ze kende had ze ooit gezien. Misschien zou niets haar nu nog moeten verbazen, maar toch ontsnapte haar een zucht van verwondering. Zo mooi, zo onwaarschijnlijk waren die bergen, maar toch echt...

Aan het lichaam tegen het hare voelde ze dat het wezen lachte. Onverwacht mobiliseerde dat een enorme woede in haar. Hij mocht haar dan van de grond hebben opgepikt als een vogel met een worm doet, hij mocht dan op magische wijze haar lichaam hulpeloos hebben gemaakt en haar eindeloos ver van huis hebben gesleept, ze zou zich niet door hem laten uitlachen. Venijnig porde ze haar elleboog tussen zijn ribben, wat hem onmiddellijk de adem benam. Voldaan hoorde zij zijn benauwde hoesten. Hij liet haar bijna opnieuw vallen, maar greep haar nog net op tijd en keek haar recht aan, een vage, mild-spottende glimlach om zijn lippen. Ze voelde haar lichaam weer krachteloos worden. Slap hing ze tegen hem aan, met ogen die fonkelden van pure woede. Als ze die lach maar van zijn gezicht had kunnen slaan!

Intussen was de bergketen wat dichterbij gekomen. Ze hoopte dat ze er overheen zouden vliegen, zodat ze dit wonder van dichtbij zou kunnen bekijken. Laatste wens van de veroordeelde, bedacht ze spottend. Jammer alleen dat de veroordeelde geen controle meer had over haar spraakspieren, om die wens te kunnen indienen. Nu kon ze niet veel meer doen dan kijken hoe de bergen langzamerhand groter werden. Ze zag vreemde bomen, onbekende struiken en ongewone gebouwen onder zich voorbijtrekken. Het was alsof ze in een paar uur tijd in een totaal andere wereld terecht was gekomen. Geboeid bleef ze kijken naar het landschap, tot ze zich ineens bewust werd dat het hooggebergte nu vlak voor hen lag. Het begon erop te lijken dat ze er niet overheen maar tegenaan zouden vliegen.

Ze keek naar de talloze pieken, de ruwe rotsen, de grotachtige openingen tussen het grijze gesteente. Aan deze kant groeiden er geen bomen op de hellingen. De bergen verhieven zich loodrecht vanaf de grond, kaal, woest, onherbergzaam. Ze waren nu zo dichtbij dat ze de toppen niet meer kon zien. Misschien was het gezichtsbedrog, maar het leek wel of er enige regelmaat was in de grotten en uitsteeksels van het gebergte. Hoe dichterbij ze kwamen, hoe zekerder ze ervan werd: het geheel had een structuur als van een gigantisch paleis, met ontelbare uitbouwtjes, ramen, torens en barakken.

Even sloeg haar hart een slag over, toen ze zich realiseerde dat dit hun eindbestemming was. Toen vlogen ze een opening binnen en bevond ze zich in een grote, donkere hal. Ze werd neergezet, net als de anderen. Daar stonden ze bij elkaar, mensen van het dorp, met bange gezichten en trillende benen. Ze dromden als schapen dichter opeen, zonder voor Jirelle een uitzondering te maken. In deze omgeving was ze niet langer vreemd in de ogen van haar dorpsgenoten. Eindelijk hoorde ze erbij. In deze situatie was dat echter maar een heel schrale troost.


Copyright © 2001-2010, Cass van Dijk