|
Hoofdstuk 3.Het was verbazend hoe traag de tijd voorbijging als je moest wachten tot een stel vreemde wezens je wilden gaan uitleggen wat ze met je van plan waren, dacht Jirelle. Ze wachtten nu al uren in de donkere hal en voor haar gevoel hadden het even zoveel dagen kunnen zijn. Jirelle was allang gaan zitten, haar benen voelden aan als lood en ze was zonder meer uitgeput. Sommige mensen hadden haar voorbeeld gevolgd. De meesten stonden echter nog steeds bij elkaar, suffig, passief en zwijgzaam. Ze leken wel verdoofd. In de hal heerste een volkomen stilte, die met de minuut drukkender leek te worden. Jirelle had zichzelf nooit voor een nerveus persoon gehouden, maar ze kreeg steeds meer de indruk dat ze stiekem bekeken werd door onzichtbare ogen. Er waren momenten dat dat gevoel zo sterk werd dat de haren in haar nek overeind gingen staan. Af en toe liepen er Anderen door de hal. Ze spraken niet, liepen alleen doelbewust van de ene doorgang naar de andere. De meesten besteedden geen enkele aandacht aan het zielige groepje mensen. Jirelle bekeek de Anderen juist met bange belangstelling. Als ze maar kon zien wat dit voor wezens waren en waar ze hun mensenbuit voor nodig hadden. .. Als het slavendrijvers waren of kannibalen, zou hun uiterlijk dat dan verraden? Haar gespannen blik onthulde echter slechts uiterlijkheden van de Anderen. Ze waren onderling net zo verschillend als mensen, in alle vormen en maten. Vergeleken met mensen waren ze gemiddeld een handbreedte langer en wat fijner gebouwd. Ze droegen voornamelijk kleding in onopvallende kleuren, maar zo af en toe was er één te zien met een felblauwe of dieprode cape of blouse. De kledingstukken weken niet veel af van wat mensen droegen: broeken, rokken, blouses, truien, op de maat van Anderen gemaakt, maar volkomen herkenbaar. Iedereen leek zich te kleden zoals hij of zij prettig vond. Ze zag dat vrouwen hier ook broeken droegen, iets wat in het dorp alleen was toegestaan als je op het land werkte. Het meest opvallend waren de capes; vrijwel alle Anderen droegen er een. Zich herinnerend hoe goed de cape haar had beschermd tegen de kou, vermoedde ze dat er niet zonder werd gevlogen. Ondanks de verschillende kleuren leken alle capes van dezelfde sterk isolerende stof gemaakt. De gezichten van de Anderen waren onderling heel verschillend. Ze hadden allemaal die vreemd-heldere ogen, maar dat was dan ook de enige overeenkomst. Mooi, lelijk, gewoontjes, lieflijk, wreed, krachtig, week... Ze had het gevoel dat ze, net als bij mensen, het karakter min of meer van het gezicht af kon lezen. Over het geheel genomen waren er veel meer overeenkomsten tussen mensen en Anderen dan verschillen. Dat stelde haar overigens niet gerust. Bij een van de doorgangen begon zich een groepje Anderen te verzamelen, ze dacht grotendeels Anderen die hadden deelgenomen aan de overval op haar dorp. Haar vermoeden werd bevestigd toen er een aantal op het groepje mensen afkwam. Ze liepen naar een mens toe, veelal degene die ze ontvoerd hadden, en namen die met zich mee. De mensen werden verschillende kanten opgeleid en verdwenen door diverse doorgangen. Zonder enige haast, maar met een doelgerichtheid die zekere afspraken veronderstelde, werden de mensen zo één voor één afgevoerd. Jirelle begon zich steeds ongemakkelijker te voelen in het slinkende groepje. Het gevoel bekeken te worden werd sterker. Steeds als er een Ander op hen afkwam, verkrampte ze, heimelijk opgelucht als zij niet werd aangewezen. Instinctief kroop ze in elkaar en probeerde zo rustig mogelijk te blijven, zodat ze geen verraderlijke angstsignalen zou afgeven. Ze had gezien dat haar ontvoerder al enige tijd geleden de hal was binnengekomen, maar hij had nog geen aanstalten gemaakt naar haar toe te komen. Nu zag ze hem bij een zwaargebouwde Ander met een hard, wreed gezicht staan. Diens blik was op haar gevestigd. Ze huiverde en kroop nog verder in elkaar. Alles wees erop dat die twee ruzie maakten, al was er dan geen woord te horen in de doodstille hal. Achter haar werden de laatste twee mensen meegenomen. Ze zat nu alleen op de koude grond. De Ander met het wrede gezicht keek niet langer naar haar, maar wierp een intense, woedende blik op haar ontvoerder, een blik waar ze het steenkoud van kreeg. Het leek wel of zijn ogen een koude gloed uitstraalden, als maanlicht op sneeuw. Daarna liep hij met grote stappen weg. Nu kwam haar ontvoerder wel naar haar toe, zijn gezicht strak, zijn houding zakelijk. Hij stak haar zijn hand toe. Het gebaar negerend stond ze zelf op en keek hem uitdagend aan. Ze deed haar mond al open om hem te vertellen wat ze van dit alles vond, maar voelde toen woedend hoe hij weer haar spraakspieren lamlegde met een blik die boekdelen sprak. Goed, dus hij wilde dat ze zweeg. Ze ging zo rechtop staan als haar onvolgroeide gestalte toeliet en stak haar kin in de lucht. Zwijgen kon ze ook wel zonder zijn controle. Hij leidde haar resoluut naar één van de doorgangen. Verbaasd voelde ze de greep op haar spraakspieren verdwijnen, alsof haar gedachten tot hem doorgedrongen waren. Ze liet zich zwijgend door hem door talloze gangen leiden, sommige somber en grijs, andere helder verlicht en in vrolijke kleuren geverfd. Ze gingen een schijnbaar eindeloos aantal trappen op. Minachtend beoordeelde ze dat als zinloos. Ze was heus niet van plan om uit een raam te springen om te ontsnappen, niet van honderd meter hoogte en niet van vijfhonderd meter hoogte. Als ze kon, zou ze ontsnappen via de grond. Vliegen behoorde nu eenmaal niet tot haar vaardigheden. De Ander hield stil bij een afgesloten doorgang. Ze kon het niet echt een deur noemen; de afsluiting was van stof gemaakt die strak over de hoge opening gespannen was. Het wezen legde zijn hand op de rand van het doek en met grote ogen zag ze hoe het doek zichzelf een stuk oprolde. Ze stapte achter hem binnen. Achter het doek lag een smal gangetje dat vrijwel direct een scherpe bocht naar links maakte. Na een aanraking van het wezen sloot het doek zich weer. Jirelle volgde hem de bocht door en meteen ook een volgende naar rechts. Daar herhaalde zich het getover met een tweede doek. Vastbesloten zich door niets te laten overdonderen, zelfs niet door magie, keek ze om zich heen in de kamer waar ze nu binnenstapten. Het was een kleine ruimte, licht van kleur, met één enkele kleine opening hoog in de muur waar daglicht doorheen kwam. Het plafond was zeker zeven meter hoog. Licht was er genoeg, maar afgezien van het kleine raampje was er geen zichtbare lichtbron, het licht leek rechtstreeks vanuit de wanden te komen. In de kamer stonden een paar doodgewone meubels: een bed, een tafel en een stoel, op mensenmaat gemaakt. Er waren twee kleine nissen. Eén verborg een diep gat in de vloer met daarnaast een gevulde waterton, zo te zien bestemd voor sanitaire behoeften. In de andere stond een kleine tafel met waterkommen, doeken en een onwaarschijnlijk heldere spiegel. Tussen het bed en de grote tafel lag een kleed. De rest van de ruimte werd ingenomen door een kleine poel van zwart water, of misschien een poel die zo diep was dat het water zwart leek. Het wezen stond haar op te nemen, rustig wachtend tot ze klaar was met rondkijken. Ze wendde zich naar hem toe. Het was de eerste keer dat ze hem rustig kon bekijken. Hij glimlachte weer met die vage spot die haar razend maakte en deed zijn cape af. De beweging waarmee hij dat deed, maakte haar ineens duidelijk wat ze onbewust steeds al zo beangstigend aan hem had gevonden: hij was intens en overrompelend sensueel, bewegend en kijkend met een erotische lading die niet te negeren viel. Het was niet wat hij deed, het was de manier waarop. Het was de dodelijke gratie van de panter, de hypnotische spanning van de slang, en nog iets meer dan dat. En het was iets dat bij hem persoonlijk hoorde; het was haar verder bij niemand van de Anderen opgevallen. Onwillekeurig deed ze een stap terug, waardoor ze met haar knieholten tegen de stoel aankwam en half viel, al zittend voor haar lichaam zich aan die stand had aangepast. Haar gesmoorde vloek doorsneed zijn spontane lach. Woedend keek ze hem aan en zag hem een afwerend gebaar maken. "Sorry, ik moet je niet uitlachen, maar het was wel een gek gezicht. Heb je je bezeerd?" "Zoveel je wilt binnen de tijd die ons ter beschikking staat," antwoordde hij. "Maar voor je ontploft en mij je zeer terechte woede naar het hoofd gaat gooien, zou ik je willen voorstellen eerst naar mij te luisteren. Ik word Ir'yn genoemd. Mag ik jouw naam weten?" Het maakte haar bang en boos tegelijk en ze snauwde: "Gelet op wat je tot nog toe met me hebt kunnen doen, veronderstel ik dat je me wel kunt dwingen mijn naam te zeggen." Hij knikte bevestigend, haar desondanks nog steeds vragend aankijkend. "Nou, waarom vraag je het dan?" Hij keek haar even indringend aan. "Dank je, Jirelle," zei hij toen zacht. "Laat me je nu dan eerst wat meer vertellen over wat ik je heb aangedaan." Hij leek even zijn gedachten te verzamelen en hervatte toen: "Ons volk en het jouwe zijn aan elkaar verwant, waarschijnlijk hebben we gemeenschappelijke voorouders. Waar jouw volk zich met praktische zaken is gaan bezighouden, heeft mijn volk zich toegelegd op energetische gaven - wat jullie magie noemen. Wij leveren al eeuwen een strijd tegen een vijand die al het leven bedreigt. Zover als jullie dorp is hij al eeuwen niet geweest, maar zonder ons zou hij jullie allang hebben vernietigd. Wij bevechten hem op alle mogelijke manieren. Ons grootste wapen is echter onze Geestkracht, de gerichte en getrainde energie van onze geest. Het ontwikkelen daarvan is eeuwenlang onze voornaamste bezigheid geweest, wat geresulteerd heeft in een enorm toegenomen Geestkracht - maar helaas ook in een sterk verminderde Aard-energie. Hoe dit allemaal in elkaar steekt, kan ik je nu niet kort uitleggen. Maar neem voor het gemak even van me aan dat Aardkracht onmisbaar is voor levende wezens, ook voor ons, en dat onze Geestkracht niet in stand kan blijven zonder een basis van Aardkracht. We begonnen dus onze geestelijke vermogens te verliezen, of liever gezegd onze grip erop. Eeuwen terug is besloten dat op te lossen door van tijd tot tijd mensen gevangen te nemen en onze bloedlijn met hen te kruisen. Op die manier kwam er weer Aardkracht terug in ons volk." Jirelles hart leek even halt te houden, maar begon daarna zo hard te kloppen dat het aan de buitenkant te zien was. Haar grootste nachtmerrie kwam hier tot leven. "Dus daarom ben ik hier? Als fokzeug, om hier verkracht en bevrucht te worden, zodat ik jullie jongen kan baren? En jij bent zeker degene die me zwanger moet maken!" Haar overslaande stem verried niet alleen haar woede, maar ook haar angst. De man schudde geruststellend zijn hoofd. "Nee Jirelle. Ik kan helaas niet ontkennen dat het in het verleden vaak wel zo gegaan is. Maar je hoeft niet bang te zijn verkracht te worden, in deze tijd kennen we alleen vrijwillige relaties. We proberen door een nieuwe benadering voldoende mensen bereid te vinden bij ons te blijven. Vanuit de vrijwillige relaties die vervolgens ontstaan, zijn tot nog toe voldoende kinderen geboren om onze vermogens in stand te houden. Onze Asth'aloth, dat is onze leidster, is niet blij met deze nieuwe vorm, maar ze gaat er noodgedwongen mee accoord. De regels zijn als volgt: gemiddeld eens per jaar ontvoeren wij een groep mensen die een sterke Aardkracht bezitten. Na aankomst hier wordt hun Geestkracht gewekt en worden ze getraind die enigszins te gebruiken. Dit is een behoorlijk ingrijpend proces, dat van alle partijen veel vraagt. Zodra ze telepathisch met ons kunnen spreken, worden ze voor de Asth'aloth geleid. Die schat zo goed mogelijk hun kracht in en als ze ze bruikbaar acht, stelt ze ze voor de keus: teruggaan naar huis met verlies van alle nieuwe vermogens en de herinneringen aan het avontuur, of blijven en zich verder ontwikkelen. Wie terug wil, wordt samen met de onbruikbaar geachte mensen teruggebracht. De rest blijft. Eén reden dat we eerst, ongevraagd, hun Geestkracht wekken is natuurlijk om een indruk te geven van wat er te winnen valt als ze blijven. Maar een andere is, dat de Asth'aloth uit principe nooit anders dan telepathisch spreekt. Dit geldt voor de meeste Anderen. Voor hen zul je dus pas bestaan als je zonder spreekstem kunt communiceren. Om nog even terug te komen op de dwang die ik op je heb uitgeoefend: de reden voor controle zo hoog in de lucht is je ongetwijfeld duidelijk. En alles wat in de hal gebeurt, wordt voortdurend waargenomen door de Asth'aloth en haar adviseurs, zowel op concreet als op telepathisch niveau. Aangezien van mij verwacht wordt dat ik je geest uitschakel, kan ik je niet toestaan afwijkend gedrag te vertonen waaruit blijkt dat je onvoldoende onder mijn controle staat. Deze ruimte is energetisch afgeschermd, niemand kan hier zien of merken dat je nog altijd min of meer eigen baas bent, maar in de hal kon ik je onmogelijk afschermen. Je bent dus het slachtoffer van mijn wens af te wijken van de regels zonder dat dat al te veel opvalt. Dat zal de komende dagen ook zo blijven. We trekken toch al de aandacht, omdat het niet gebruikelijk is dat de aanvoerder van een team zelf iemand meeneemt. Gelukkig is de reden dat ik jou ontvoerde voor iedereen hier even duidelijk als voor mij: je hebt een bijzonder sterke Aardkracht en je Geestkracht is al gedeeltelijk ontwikkeld. Daardoor ben je een gewilde buit. Je zult waarschijnlijk later merken dat velen van mijn volk mij mijn rol ten opzichte van jou benijden. Nou Jirelle, dat is in vogelvlucht mijn verhaal. Barst nu maar los." Jirelle had hem met stijgende woede aangehoord. Een volkomen ongeloofwaardig verhaal waarvan het grootste deel wel gelogen móest zijn, dat was haar eerste indruk. En dan de schaamteloze manier waarop hij het vertelde, alsof het de gewoonste zaak van de wereld was mensen zo te gebruiken - te misbruiken! Onder de woede voelde ze een groeiende paniek. Het gevoel van het ene moment op het andere in een vreemde wereld te zijn geraakt, een wereld waarvan ze de regels niet kende, dreigde haar te overmeesteren. Ze stond op van haar stoel, liep op hem af en deed precies wat hij gezegd had: ze barstte los. Een vloedgolf van verwijten en beledigingen stroomde uit haar mond, tot ze zelf, ergens op de achtergrond van haar geest, verbaasd was over haar welsprekendheid. Toen ze hem voor de derde keer verteld had hoe intens ze op hem en zijn volk neerkeek zonder van hem een andere reactie te krijgen dan een aandachtig luisteren, zweeg ze van pure uitputting. Ze probeerde haar tot vuisten gebalde handen een beetje te ontspannen, zich nu pas bewust wordend van de enorme spanning in haar lichaam. Als ze niet zeker had geweten dat hij haar zou tegenhouden met zijn magie, had ze hem aangevallen en zoveel mogelijk beschadigd. Het was bijzonder frustrerend dat ze zich moest beperken tot woorden en blikken. Hijgend keek ze op hem neer, benieuwd naar zijn reactie. Hij stond rustig op en beantwoordde haar blik. "Klaar?" vroeg hij, zonder een zweem van neerbuigendheid. "Je woede is volkomen terecht. Het is verschrikkelijk onrechtvaardig: ik trek je zo uit je normale leven, sleep je mee naar een plaats waar je nooit hebt willen zijn en overval je met allerlei nieuwe informatie. Vervolgens ga ik je Geestkracht wekken zonder dat je daar inspraak over hebt en eis dan ook nog van je een proces aan te gaan dat ingrijpender is dan je nu voor mogelijk houdt. Het is oneerlijk - maar het is wel de realiteit." "Niet voordat je Geestkracht is gewekt en je ermee hebt leren omgaan. Ik heb je al uitgelegd waarom. Bovendien kun je pas kiezen als je weet waartussen je kiest. De tijd dringt, dus ik ga nu beginnen met het wekken van je Geestkracht. Als dat gebeurd is, kun je gaan slapen. Wees niet bang, Jirelle. Het kan een vreemde ervaring zijn, maar het doet geen pijn." Hij pakte haar handen vast. Zijn greep was onverwacht warm en vreemd prettig, veilig bijna. Toen keek hij haar aan, zijn eigenaardig heldere blik diep in de hare, en ze voelde zich plotseling volkomen naakt. Het was of hij ìn haar keek, dwars door de buitenkant heen, diep in haar innerlijk, dieper zelfs dan ze zelf kon kijken. Ze wachtte machteloos op wat er komen ging. Het duurde een hele tijd en uiteindelijk moest ze haar adem, die ze angstig had ingehouden, wel loslaten. "Lukt het niet?" vroeg ze vinnig. "Wees even stil en laat me denken," zei de man onbeledigd. Ze kon niet loskomen van zijn intense blik en zweeg, wensend dat ze haar angst kon verbergen voor zijn vermogens. Een zinloze wens, want zijn gezicht werd zachter toen hij eraan toevoegde: "Probeer wat minder bang te zijn. Ik ben er niet op uit je kwaad te doen." Inderdaad werd ze ondanks alles wat rustiger van zijn woorden. Toch schrok ze toen na een tijdje zijn stem ineens de stilte verbrak. "Je hebt ongewoon sterke latente Krachten," begon hij. "Zoals ik eerder zei, je Geestkracht is al redelijk ontwikkeld en je andere Krachten slapen nog, maar zijn potentieel heel groot. Jouw totale potentieel is ongebruikelijk, niet alleen onder mensen, maar ook onder ons volk. Dat brengt me in een dilemma. Ik sta onder strenge orders me uitsluitend bezig te houden met je Geestkracht. Ik kan mezelf er echter niet toe brengen. Het zou zonde zijn, en schadelijk, om een zo sterke Geestkracht te wekken zonder de basis van je Aardkracht. En ik geloof niet dat je het volle potentieel van je Aardkracht kunt gebruiken zonder ook de beschikking te hebben over je Voelkracht." Hij zweeg even, met nog steeds die uitdrukking van verwarring op zijn gezicht. Toen hervatte hij: "Je begrijpt waarschijnlijk bar weinig van wat ik allemaal zeg en de tijd ontbreekt om je alles uit te leggen. Ik verander de plannen. Ik ga eerst je Aardkracht wekken en je trainen om die te gebruiken. Dat is streng verboden. En Jirelle, geloof me alsjeblieft, hoe graag je me misschien ook in moeilijkheden wilt brengen: het allerlaatste wat je wilt is de aandacht van Mir'tuen, onze Leidster, trekken. Ik zal er alles aan doen om te voorkomen dat we opvallen; doe jij alsjeblieft hetzelfde." Even keek hij haar aan, zwijgend zijn hoofd schuddend. "Dit wordt een groter avontuur dan ik verwacht had," zei hij toen met een snelle grijns. "Gemiddeld duurt het wekken en trainen van de Geestkracht bij mensen een dag of drie. Niet opvallen betekent dat we ons houden aan het gemiddelde, dus we hebben slechts drie dagen om alledrie je Krachten op niveau te krijgen. Het is maar goed dat je al razend op me bent, dit maakt je onmogelijke situatie nog stukken erger. Maar dit is mijn beslissing." Er was een schittering in zijn ogen die van overmoed sprak, wat haar bepaald niet geruststelde. Maar ze kreeg geen kans nog op zijn woorden te reageren, want heel abrupt verdwenen alle humor en luchtigheid van zijn gezicht, zijn ogen werden nog helderder en ze voelde hoe er op een onbeschrijflijke manier een verbinding tussen hen ontstond.
|












